Enkhuizen in ‘Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen’ – Deel 8

In 2025 verscheen (uiteindelijk) het achtste deel van het monumentale standaardwerk Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen. Dit unieke project, gestart door de in 2021 overleden historicus/meteoroloog van het KNMI Jan Buisman, beschrijft het weer in onze streken vanaf rond het jaar 1.000. Deel 8 bestrijkt de periode 1825–1850: de tijd van koningen Willem I, II en III, en het slotstuk van de zogenaamde Kleine IJstijd.

Nergens ter wereld is het weer zo gedetailleerd per jaar in kaart gebracht, en dat met gebruik van zowel meteorologische als historische bronnen: kranten, scheepsjournalen, dagboeken, kerkarchieven en stadsrekeningen. Wie in deze boeken duikt, ziet hoe grillig en rampzalig het weer vroeger geregeld was: stormvloeden, strenge winters, misoogsten, verzengende hittegolven en alles daartussen. Voor wie het hedendaagse debat over klimaatverandering wil relativeren met historische context, biedt dit werk een verhelderende blik. Vanaf het eerst vermelde jaar 673 zou je bijna denken: er is weinig nieuws onder de zon.

Persoonlijke noot

Mijn eigen fascinatie met het weer begon al op de lagere school. Ik hield schriftjes bij met dagelijkse temperaturen, en kreeg de liefde voor het weer mee van mijn grootvader Dirk Verweij in Nieuwkoop. Hij kon, levend met de natuur, het weer opmerkelijk goed voorspellen. In de boekenkast van mijn grootouders stond het boekje Weer of geen weer – meteorologie voor natuurvrienden van Jan Buisman (1961). Ik verslond het en kreeg het later van opa cadeau – inclusief een krantenknipsel uit 1973: “Verwachtingen voor de komende honderd jaar: kouder dan normaal”. Waarvan akte!

Na het overlijden van Buisman hielden weer liefhebbers hun adem in: zou het werk ooit voltooid worden? Gelukkig is dat gelukt dankzij Sebastiaan Cobelens, die deel 8 uitbracht. Hopelijk volgen nog twee delen om het project tot aan het jaar 2000 te voltooien.

Enkhuizen in deel 8

Op deze website wil ik aandacht geven aan vermeldingen van Enkhuizen in dit bijzondere werk. In deel 8 komt onze stad vijf keer aan bod:

1. Schaatstocht van Stavoren naar Enkhuizen – winter 1830 (pagina 159)

De winter van 1830 was streng. De Zuiderzee bevroor volledig. Een groep van 24 mensen, waaronder vijf dames, schaatste van Stavoren naar Enkhuizen:

“Onze reis voortzettende reden wij ten half-elf de haven van Enkhuizen binnen, gul en vriendelijk door een menigte aanschouwers verwelkomd.”

2. Zeldzaam fenomeen door oostenwind – maart 1839 (pagina 493)

Een plotselinge terugkeer van de winter in maart zorgt voor strenge vorst. De Zuiderzee is opnieuw bevroren:

“De bewoners zien op 13, 14 en 15 maart dat door een sterke aanhoudende oostenwind zandbanken en ondiepten rondom de stad droog liggen. Dit komt zelden voor.”

3. Storm en scheepsramp bij Enkhuizen – 1843 (pagina 588)

Een noordwesterstorm zorgt voor veel schade:

“Bij Enkhuizen stranden twee Friese tjalkschepen. De bemanning kan het navertellen!”

4. Sleetochten over het ijs – maart 1845 (pagina 674)

De maand maart 1845 geldt volgens het boek als:

“De koudste maart uit onze instrumentele weer geschiedenis, waarschijnlijk zelfs kouder dan die van 1667 en 1674.”
Op 12 maart rijden paardensledes met vracht over het ijs tussen Kampen, Urk en Enkhuizen.

5. Drama op de Zuiderzee – januari 1849 (pagina 841)

Drie vissers uit Durgerdam drijven op een ijsschots over de Zuiderzee. Ze komen zó dicht bij Enkhuizen dat ze de tijd op de toren kunnen aflezen:

“Twee van de drie overleven het niet. De tocht eindigt in Vollenhove.”
Opmerkelijk is dat de winter van 1849 verder zacht verliep: op 12 januari begon al de dooi.


Dit artikel is in een reeks waarin ik Duizend jaar weer doorzoek op vermeldingen van Enkhuizen. Zo ontstaat stukje bij beetje een fascinerend weerhistorisch panorama van onze stad aan het IJsselmeer.